Theodor Schwann bestudeerde niet alleen cellen. Hij maakte ze belangrijk. Deze Duitse fysioloog, geboren in 1810 in Neuss, Pruisen, en stervend in Keulen in 1882, legde de basis voor de moderne histologie. Hij definieerde de cel als de fundamentele eenheid van de dierlijke structuur. Vóór Schwann was de biologie rommelig. Hij bracht orde.
Waarom de celtheorie van Schwann de biologie veranderde
Je zou je kunnen afvragen waarom het werk van een Duitse professor er zo toe deed. Omdat hij twee gescheiden werelden met elkaar verbond. In 1839 publiceerde Schwann Microscopical Researches into the Accordance in the Structure and Growth of Animals and Plants. Daarin nam hij de celtheorie die Matthias Jacob Schleiden voor planten had ontwikkeld, over en paste deze toe op dieren.
Schleiden was aan de Universiteit van Jena. Schwann kende hem goed. Zij waren medeoprichters van de celtheorie. Die eenwording veranderde de manier waarop wetenschappers naar het leven keken. Het waren niet langer alleen maar ‘dierendingen’ en ‘plantendingen’. Het is allemaal opgebouwd uit cellen.
“De cel is de basiseenheid van de dierlijke structuur.”
Die zin vormt de kern van zijn bijdrage. Het klinkt nu eenvoudig. Toen was het revolutionair.
De ontdekking van pepsine en vroege enzymologie
Schwanns werk reikte verder dan alleen de theorie. In 1836 isoleerde hij tijdens zijn studie van de spijsvertering een stof in de maag. Hij noemde het pepsine. Het was het eerste enzym dat uit dierlijk weefsel werd bereid.
Dit was geen kleine voetnoot. Het bewees dat bij de spijsvertering specifieke chemische middelen betrokken waren. Het vormde de basis om te begrijpen hoe het lichaam voedsel op moleculair niveau afbreekt. Schwann was niet alleen een waarnemer. Hij was een experimentator.
Van Leuven naar Luik: waar zijn carrière een hoogtepunt bereikte
Na zijn afstuderen aan de Universiteit van Berlijn in 1834 werkte Schwann onder Johannes Peter Müller. Vervolgens verhuisde hij in 1839 naar de Katholieke Universiteit van Leuven in België. Daar observeerde hij gistsporen. Hij concludeerde dat de fermentatie van suiker en zetmeel een levensproces was.
Dit was een belangrijke stap in de richting van de kiemtheorie van alcoholische gisting. Louis Pasteur heeft deze ideeën later toegelicht. Schwann hielp bij de bouw van de brug.
In 1848 aanvaardde Schwann een hoogleraarschap aan de Universiteit van Luik. Hij bleef daar de rest van zijn carrière. In Luik leverde hij verschillende blijvende bijdragen:
- Hij ontdekte de myelineschede die perifere axonen bedekt, nu bekend als Schwann-cellen.
- Hij identificeerde dwarsgestreepte spieren in de bovenste slokdarm.
- Hij bedacht de term metabolisme om chemische veranderingen in levend weefsel te beschrijven.
- Hij stelde de basisprincipes van de embryologie vast, waarbij hij opmerkte dat het ei een enkele cel is die zich ontwikkelt tot een compleet organisme.
- Hij identificeerde de rol van micro-organismen bij verrotting.
Hoe zijn werk de moderne wetenschap vormgeeft
Waarom is dit vandaag de dag van belang? Omdat metabolisme de motor van het leven is. Wij gebruiken de term dagelijks. Schwanncellen zijn essentieel voor de zenuwfunctie. Pepsine is een standaardvoorbeeld van spijsverteringsenzymen. De celtheorie vormt de basis van de biologie.
Schwanns latere jaren concentreerden zich op theologische kwesties. Maar zijn wetenschappelijke erfenis is concreet. Hij maakte van observatie een doctrine. Hij verplaatste de biologie van beschrijving naar mechanisme.
De volgende keer dat je over een cel leert, denk dan aan de man die deze cel tot het middelpunt van het verhaal heeft gemaakt.
























