Een familielid van een oude spin had 500 miljoen jaar geleden klauwen

3

Een opmerkelijk goed bewaard fossiel onthult dat de voorouders van spinnen en schorpioenen een half miljard jaar geleden al over hun kenmerkende voorklauwen beschikten. De ontdekking, gerapporteerd in Nature op 1 april door paleontoloog Rudy Lerosey-Aubril en collega’s, verduidelijkt een al lang bestaand debat over de evolutie van deze roofzuchtige aanhangsels. Deze bevinding toont aan dat de groep die bekend staat als cheliceraten – waartoe tegenwoordig wezens als degenkrabben, teken en papa-longlegs behoren – veel eerder een verrassend modern lichaamsplan ontwikkelde dan eerder werd gedacht.

Vroege cheliceraatanatomie

Het fossiel vertoont duidelijk gedefinieerde scharen die zijn bevestigd aan aanhangsels nabij de mond van het oude dier. Deze aanhangsels, chelicera genoemd, zijn sindsdien geëvolueerd tot verschillende vormen in moderne cheliceraten: hoektanden bij spinnen (waarvan sommige gif afgeven), en kleine monddelen bij schorpioenen die voor voedsel worden gebruikt.

Eerder hebben wetenschappers gedebatteerd over de vraag of deze klauwen afkomstig zijn van sensorische antennes die worden aangetroffen in insecten (een verwante groep) of van het vastgrijpen van aanhangsels die aanwezig waren bij eerdere geleedpotigen. De goed ontwikkelde klauwen van het nieuwe fossiel wijzen sterk op het laatste: chelicera zijn geëvolueerd uit de ‘grote aanhangsels’ die bij sommige oude geleedpotigen te zien zijn. Dit betekent dat de fundamentele blauwdruk voor deze klauwen veel eerder in de evolutionaire geschiedenis werd vastgesteld dan eerder werd aangenomen.

Leven in een oerzee

Het wezen bewoonde waarschijnlijk een ondiepe, oude zee en zwom dichtbij de zeebodem. Onderzoekers suggereren dat hij zijn chelicera gebruikte om kleine prooien – waarschijnlijk primitieve wormen – te vangen en naar zijn mond te brengen. De bewaring van het fossiel is uitzonderlijk, ondanks dat het al tientallen jaren in museumcollecties verblijft voordat het opnieuw wordt onderzocht.

“Dit wezen is qua anatomie supermodern voor een dier dat 500 miljoen jaar oud is”, merkt Lerosey-Aubril van Harvard University op.

Deze ontdekking onderstreept hoe snel belangrijke anatomische kenmerken in de evolutionaire geschiedenis naar voren kunnen komen. Het feit dat een dergelijk gespecialiseerd instrument al zo vroeg in de cheliceraatlijn aanwezig was, roept vragen op over de selectieve druk die de evolutie ervan aanstuurde: op welke prooi jaagden deze wezens, en hoe gaven deze klauwen hen een voordeel?

Het fossiel biedt een zeldzaam kijkje in de vroege diversificatie van geleedpotigen, wat aantoont dat de fundamentele bouwstenen van veel moderne roofdieren al meer dan een half miljard jaar geleden aanwezig waren.